[NVLR]

Diversen - Boekenhoek

Boekenhoek

Op deze plaats verschijnt van tijd tot tijd een boekbespreking. Deze staat los van de verenigingsactiviteiten. Heeft u ook een boek ter bespreking, dan kunt u contact opnemen met de van deze website.

Zwaar en hels is de liefde

Verbluffende roman van Régis Jauffret
In Gekkenhuizen! sleept Régis Jauffret je halsoverkop mee in de verwarring en het verdriet van Gisèle die door haar man Damien wordt verlaten. Schoonvader François komt haar het nieuws melden. Zoonlief durft niet. Solange, de moeder van Damien, vindt later dat haar man zich niet fijnzinnig genoeg van zijn taak gekweten heeft. Ze staat erop om dan maar zelf terug te gaan, haar schoondochter weer hoop te geven en enkele weken later met een perverse zucht van wellust alle (verzonnen) hoop opnieuw de kop in te drukken. “Je denkt dat ik gek ben, en je hebt gelijk. Ik ben zijn moeder. Tegelijk met het vruchtwater heb ik mijn verstand verloren.” Jauffret veegt in dit boek inderdaad heel wat zotternij bij elkaar en trakteert de lezer op een indrukwekkende portie psychologisch ramptoerisme.
Hij vereenzelvigt zich telkens zo sterk met een welbepaald personage dat hij in een conversatie plots alleen maar zijn of haar uitlatingen weergeeft. Zo monden de conversaties uiteindelijk uit in een bonte opeenstapeling van alle mogelijke uitspraken die je in welbepaalde omstandigheden (bv. het vertellen aan een vrouw dat je zoon haar verlaten heeft) allemaal zou kunnen doen. Het is een manier om aan te tonen dat niets is wat het lijkt. Dat wanneer hoofdpersonage Gisèle a zegt, ze eigenlijk tegelijk ook b had kunnen zeggen. In Jauffrets universum jagen personages en verteller de juiste woorden na zonder die ooit te vinden. Zinnen botsen tegen elkaar. Mensen spreken zichzelf voortdurend tegen. Jauffret exploreert de woelige spinsels van overkokende hersenpannen.
Hij doet dit niet bepaald op een alledaagse manier: zijn taal glanst van energie en overrompelt de lezer. Onvermoeibaar laat de auteur nu eens grappige dan weer verbijsterende zinnen op je los, en schudt hij de ene verrassende associatie na de andere uit zijn pen. Een voorbeeldje: “Hij zag zijn pik voor een vaandel wanneer het ding zich in bed verhief met de vulgariteit van het soort mensen dat het deftig vindt om hun pink in de lucht te steken bij het oppakken van hun theekopje als ze op visite zijn bij een nephertogin van wie de verlepte, verrimpelde, verrotte huid doet denken aan het parket van haar boudoir met zijn planken gemaakt van doodskisten die zijn opgedolven na drie eeuwen grafkelder.” Jauffret produceert dergelijke volzinnen aan de lopende band, en houdt dit moeiteloos bijna tweehonderd bladzijden vol. Het is opmerkelijk dat zijn verbaal spervuur nooit aan kracht inboet. Stilistisch bekeken is Gekkenhuizen! dan ook een virtuoze roman. Maar is het ook een goede roman?
Die vraag kan gelukkig positief beantwoord worden. Het had echt zonde geweest mocht de verbluffende stijl uiteindelijk alleen maar de fraaie verpakking van een lege doos zijn. Met een scalpeermes ontleedt Jauffet een familie en legt zo een verstikkende moeder-zoon-relatie bloot. “Zwaar en hels is de liefde van een moeder”. Damien wordt er maar net niet door vermorzeld. Eigenbelang is de motor van die moederliefde. “Je zult het zien als je zelf kinderen hebt. Je vergeeft ze alles. Puur uit egoïsme. Anders zou je er te zwaar onder lijden.” Op het einde van de roman roept Gisèle uit dat “alle families gekkenhuizen zijn”. Zelf probeert ze met die wetenschap te leven door haar ouders te wantrouwen “als waren ze een stel tijgers”. Tot haar ontzetting moet ze vaststellen dat haar poging om Damien uit “die inrichting” te bevrijden smartelijk is mislukt.
Jauffret haalt alles uit de kast om aan te tonen hoe krampachtig de mens met liefde omspringt. Wat dat betreft, drukt hij vrank en vrij de voetsporen van Michel Houellebecq. Hij duwt de verbouwereerde lezer niet zomaar in een verbale rollercoaster, hij wil ook echt iets zeggen. “Ook nu nog wordt de liefde veelvuldig gebruikt in marketing en reclame, terwijl gezinnen het meestal zonder doen.” Gisèle lijdt omdat zij ondanks alles in de liefde gelooft. Jauffret steekt de draak met dergelijke onuitroeibare gevoelens en smijt het menselijke falen meesterlijk in het gezicht van de lezer.

Régis Jauffet (1955) gold al enkele jaren als de absolute geheimtip van de Franse letteren. In 2005 won hij met zijn dertiende roman Gekkenhuizen! de Prix Fémina. Na dit boek schreef hij op tien maanden tijd het meer dan duizend bladzijden tellende Microfictions (2007). De eeuwige belofte wordt nu aangezien als een groot schrijver. (Régis Jauffret, Gekkenhuizen!, Arbeiderspers, 196 blz., vertaald door Martin de Haan en Rokus Hofstede.)
Dit stuk verscheen eerder in Knack (18 juni 2008).

Overgenomen van website: Bart Van Loo



Boekbespreking juni 2008
• De vergeten Tombe van Kate Mosse
• De wraak van een waanzinnige van Henk Claes

Boekbespreking april 2008
• Oude soldaten sterven niet van Maria Vonk
• Als kok in Frankrijk Bart van Loo

Boekbespreking februari 2008
• Niet naar Santiago en weer terug van Hans Rottier

Boekbespreking december 2007
Wonen naast god door Dick Dijs
Frankrijk door Pauline Michgelsen
Paris per fiets door Joke Radius
Meer sjans met Frans door Marion Everink
________________________________________

  • Het verslag van Brodeck - Philippe Claudel

    ‘Mijn naam is Brodeck en ik heb er niets mee te maken. Laat dat duidelijk zijn. Dat moet iedereen weten.’ Meteen is de toon gezet: het laatste boek van Philippe Claudel schetst haarfijn tot welke gruwelijkheden mensen in staat zijn om zichzelf te redden, maar bovenal laat hij zien hoe liefde de kracht geeft te volharden, tegen alle angst in.

    Het verhaal dompelt de lezer opnieuw onder in de troebele oorlogssfeer. Daar waar het bij zijn vorig boek Grijze zielen ging over de Grote Oorlog (1914-1918) wordt nu het kader gekozen van de Tweede Wereldoorlog. Opnieuw vertrekt het verhaal vanuit een fait divers: in een dorpje zonder naam, wordt een man zonder naam het slachtoffer van een collectieve moord. Brodeck, die niet heeft deelgenomen aan de moord – ik heb er niets mee te maken – wordt belast met het schrijven van een verslag. De Erweckens Bruderschaf ofte <>De broederschap van het ontwaken, waarvan niemand precies weet wanneer het is opgericht, wat de doelstellingen zijn en wie er toe behoren, geeft hem die opdracht bij monde van Orschwir, de burgemeester. Zij dwingen hem het verslag te schrijven omdat hij weet hoe hij moet schrijven en omdat, als hij het vertelt, het door iedereen zal geloofd worden.

    Brodeck heeft inderdaad een gave. Spreken over zijn diepste gedachten was hem nooit gemakkelijk afgegaan. Hij schreef liever. Hij had dan het gevoel dat de woorden braaf naar hem toekwamen en als kleine vogeltjes uit zijn hand aten en hij kon doen met ze wat hij wilde! Het verslag dat Brodeck moet neerschrijven gaat over de Ereignies, een woord uit de streektaal, een spookachtig, in nevelen gehuld woord dat min of meer ‘dat wat gebeurd is’ betekent. Door sec neer te pennen wat er precies gebeurd is, moet hij zijn dorpsgenoten een alibi voor hun wreedheid verschaffen. Het lot dat zij voorbehouden hebben voor de Anderer, een vreemdeling, een bizar personage dat uit het niets is neergestreken in het dorp, zal inderdaad wreedaardig blijken te zijn. De Anderer werd ook bedacht met allerlei namen zoals ‘Vol-oog’ vanwege zijn uitpuilende ogen, of ‘de Mompelaar’ omdat hij zo weinig sprak of nog ‘Maanman’ omdat hij er altijd uitzag alsof hij er was en tegelijkertijd ook niet. Voor Brodeck was hij altijd de Anderer, niet alleen omdat hij van elders was gekomen, maar ook omdat hij anders was, en dat was iets wat hij herkende. Naarmate zijn verslag vordert, geeft Brodeck het een andere invulling en schrijft hij over zijn eigen ‘anders zijn’.

    Brodeck was dertig jaar geleden als kind van vermoedelijk joodse ouders na een pogrom op de kar van een oude vrouw, Fedorine, in het dorp aangekomen. Er werd hen een berghut ter beschikking gesteld. Het was een tijd waarin men nog niet bang was voor vreemdelingen. Hij was verstandig en leerde snel. Hij werd dan ook naar de hoofdstad gestuurd om te studeren. Na de Kristalnacht keerde hij terug met een vrouw Emélia. Wanneer een tijdje later de Fratergekeime, het dorp bezetten, wordt hij, omwille van zijn ‘anders zijn’ aan hen uitgeleverd. Brodeck wordt weggevoerd naar een kamp (Auschwitz?) dat hij overleeft eerst als Schiezeman (‘Strontman’), later als hond Brodeck aan de leiband van een bewaker. Ondanks zijn terugkeer naar het dorp als overlevende, voelt hij dat hij zijn waardigheid in het kamp is verloren. Hij komt er ook achter wat zijn vrouw is aangedaan tijdens zijn afwezigheid. Langzamerhand bekruipt hem het gevoel dat hij misschien niet zo thuis is onder zijn dorpsgenoten als hij tot dan toe had gedacht.

    Om zijn verslag over de Ereignies te schrijven, ontmoet Brodeck alle belangrijke personages van het dorp en ontdekt zo hun geheimen en wreedheid. De Anderer, iedereen is het erover eens, moest verdwijnen want wie zich wil handhaven in deze gemeenschap moet kunnen zwijgen. Wie dat zwijgen doorbreekt, rijt oude wonden open! En dat had de vreemdeling nu juist niet gedaan. De portretten die hij had gemaakt van sommige dorpsbewoners waren wonderlijke onthullingen die de diepste aard van de mensen aan de oppervlakte brachten. Daarom moest hij sterven, zijn dood was onvermijdelijk. Als het verslag klaar is geeft Brodeck het aan de burgemeester. Hij wordt geloofd: Je schrijft goed, Brodeck, we hebben ons niet vergist in onze keuze. Meteen wordt hij er ook aan herinnerd dat wat er gebeurd is nu tot het verleden, de dood, behoort en dat waar het nu om draait het leven is. Jij, Brodeck, jij die bent teruggekeerd van waar men niet terugkeert, moet dit beter weten dan wie ook. Het is tijd om te vergeten. Dat hebben de mensen nodig.

    Ondanks alles koos en kiest Brodeck om te blijven leven en zijn leven is zijn straf. Zijn straf is al het lijden dat hij heeft moeten ondergaan. Zijn straf was ‘Hond’ Brodeck en is de stilte van zijn vrouw Emélia. Claudel behoeft niet meer dan dat kleine verhaaltje in die bedompte gemeenschap om het hele wereldtoneel te schetsen. Het is een ooggetuigenverslag vanuit het donkere hart van een mensengemeenschap, voer voor wie de herinnering boven het laffe vergeten verkiest. Het verhaal is geloofwaardig: het dorp en het dagelijks leven, de natuur, de kleuren zijn met een fijn penseel getekend. Men leest geen Claudel meer, men leest Brodeck. Een gruwelijk mooi verhaal, indringend, beklemmend en pijnlijk herkenbaar.

    Philippe Claudel (1962) schrijft romans, filmscenario’s en verhalen. Zijn verhalen werden onderscheiden met de Prix Goncourt. Voor het inmiddels verfilmde Grijze zielen (2003) ontving hij de Prix Renaudot. Het verslag van Brodeck werd genomineerd voor de Prix Goncourt en won de Prix Goncourt des Lycéens.

    Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck, De Bezige Bij, Amsterdam,2008, 333 pp, ISBN 978 90 234 2791 9

    Recensie door Sonja De Schaepdryver