|
Over kunst gesproken…….(2)
door Jaap van Baalen
Attendeerde ik u eerder op het Franse kunsttijdschrift Arts Magazine
(Fanfare 25), ditmaal wil ik graag uw aandacht vestigen op een Nederlandse
variant, zij het van geheel andere orde. Normaal gaat alleen de zon voor
niets op, van de inhoud van dit tijdschrift echter kunt u ook geheel gratis
en voor niets kennis nemen. U moet er wel internet voor op. Het gaat om
het Nederlandstalige digitale kunsttijdschrift Cosimo, dat maandelijks
verschijnt en is te vinden op
www.cosimo.nl.
Onderwerpen uit de voorbije en actuele kunstgeschiedenis worden op een
prettig leesbare wijze en ruimschoots voorzien van beeldmateriaal gepresenteerd.
Interviews met bekende kunstenaars worden afgewisseld met luchtige, soms
anekdotische onderwerpen. Het tijdschrift dankt zijn naam aan Cosimo de
Medici, waarschijnlijk wel de bekendste mecenas uit de gehele kunstgeschiedenis
en in elk geval verantwoordelijk voor de bloei van de kunsten in het Florence
van het midden van de 15e eeuw. Als u er de oude nummers -virtueel- op
terugslaat wordt u ook (weer) gewaar wie deze Cosimo was en wat hem dreef.
Terugkerend thema in de afleveringen van het eerste jaar van verschijnen
(2007) was de 19e eeuw. Een thema dat van vele zijden, o.a. staatkundig,
sociaal en economisch, werd belicht om de kunst van die eeuw ook historisch
te kunnen duiden. Om uw nieuwsgierigheid nog meer te kunnen wekken, geef
ik u –slechts enkele- titels van artikelen, die u in het maar liefst
106 pagina's tellende, (mei-) nummer aan kon treffen: „Naakt in
bad: de Nieuwe Vrouw", over aan de vrouw gerelateerde ontwikkelingen
in de kunst, mode en architectuur tijdens het interbellum; „Viva
Vinex", over de tekenhaakplanologie van de vinexwijk; „Van
de poes en van de non", over de kunstcollectie van de provincie Noord-Holland;
„Podium van hedendaagse kunst" met aandacht voor Art Amsterdam
en „Als de rook om je hoofd is verdwenen", over het vele beeldmateriaal
dat het voorbije rooktijdperk heeft opgeleverd.
Veel kijk-, lees- en luistergenot.
|
|
Rood-wit-blauw, en ééntje staat er op zijn kant
door HanGard
Frankrijk en Nederland hebben allebei een indrukwekkend Europees
verleden. In de voorbije eeuwen kwamen ze elkaar dan ook vaak tegen, al
dan niet op het veld van eer. Deze contacten waren op verschillende manieren
van grote betekenis, voor elk land afzonderlijk en voor de onderlinge
relaties. Hier wat grepen uit deze historische grabbelton.
Het was een gouden tijd voor tuinlui. Jammer dat de verdiensten vrij matig
waren, maar ze hadden werk; dat was al heel wat. De tuinen waren dan ook
knap bewerkelijk. Iedere zelf gekozen uitwas van de natuur was ongewenst,
want de wereld om de juffers en jonkers heen moest net zo gekneed en ge-
of vervormd worden als vaak het menselijk lijf.
Het vond zijn oorsprong in de Renaissancetuinen in Italië, maar werd
op een zeer hoog plan getild door de Franse tuinarchitect André
le Nôtre, bij zijn grootste opdracht in Versailles geholpen door
graaf Caraman. Le Nôtre wist rond een centrale as een volledig symmetrisch
landschap te creëren met grote grasvelden op verschillende niveaus,
met strak getrokken hagen en rechtlijnige of kronkelende buxus- en taxusheggetjes,
waartussen velerlei tuinelementen hun plekje vonden. Hij gebruikte niet
vaak bloemen, maar wel planten die ?s winters hun blad behielden, om het
jaar door een identieke tuin te hebben.
Zijn aanpak vond navolging. Alle modieuze tendensen richtten zich zo rond
1700 op het gloriërende Franse hof en dus zette ook de tuinarchitectuur
zijn stempel op onder meer de tuinbanken van de Nederlandse upper ten.
Die was ?s winters b.v. woonachtig in Amsterdam, een stad, waar de grachten
mede werden gebruikt om de feces die men er ?s ochtends in deponeerde,
richting het open IJ te overspoelen. Dat dit op warme dagen leidde tot
ondraaglijke stank, valt te begrijpen en dat de mensen die het zich konden
veroorloven dus naar het Gooi, de Stichtse Lustwarande, de Utrechtse Vecht
en Bloemendaal spoedden, was te verwachten. De grote massa van familie
en personeel reisde met de trekschuit en pa en zijn gasten deden dat wat
sneller met het gerij.
Ze vonden er hun buitenplaats, waar bij de voorbereidingen de potplanten
uit de Orangerie al hun plekje hadden gevonden, de zinnebeeldige kunstwerken
vol mythologische vingerwijzingen en schone wezens waren gekuist, het
water in de vijvers kabbelde in het verhoopte zonlicht, de rozen in de
overhuifde lanen waren gesnoeid, kortom Arcadia werd verwezenlijkt.
Maar Nederland zou zichzelf niet zijn als het aangename ook niet met het
nuttige werd verenigd. Ietwat aan het oog onttrokken of kunstig verwerkt
in de rest van de tuin waren er de potager (keukenhof !) en de kruidentuin,
de fruitbomen, de slangenmuur om in de goed naar de zon gekeerde nissen
subtropische plan ten te kunnen kweken, en aan de rand van het terrein
nog wat stallen en weiden voor een paar koeien, varkens, schapen en geiten.
Daar ook wat bijenvolken voor de broodnodige zoetigheid. Het surplus aan
groenten werd gewekt en het slachtvlees werd gezouten en eventueel in
de ijskelder gekoeld om er ook ?s winters goed van te kunnen eten. Natuurlijk
werd ook dan vers voedsel niet geschuwd en daartoe dienden de kippen en
de duiven, voor welke laatste soms prachtige nesthuizen werden gebouwd.
En in de vijver werden de vissen gekweekt die men graag at, waarmee de
oorspronkelijke naam vivarium weer tot zijn recht kwam.
En in de lusttuin flaneerden de bewoners. Vooral witte pauwen zorgden
er voor wat extra cachet. Soms waren er wat hertjes op een omheind veld
om de levendigheid van de natuur meer glans te geven en zelfs complete
menageries, wildparken die net als de rest gehouden werden om de macht
en de rijkdom van de bewoner te etaleren. In theekoepels werd geroddeld
en gebroddeld en op de lange lanen werd gekolfd, gekaatst en het croquet
en maliën beoefend. In de doolhof wisten gelieven elkaar te vinden
en door de beschaduwde berceaus of lofzangen kon men wandelen zonder die
domme bruine buitenkleur te krijgen van de omwonende landlieden.
En men sprak Frans. Er was een druk sociaal verkeer met logeerpartijen,
theevisites en talloze feestjes. De elite toonde graag zijn brede culturele
belangstelling en in het tuintheater werd gemusiceerd, toneelgespeeld
en voorgedragen.
In „Palamedes oft vermoorde onnooselheyd? brengt Joost van den Vondel
een landheer ten tonele.
Hij plant, hij poot, of hij verzet,
Belaagt de vooglen met zijn net,
Of verlenende met ijver,
De spertel-vis trekt uit den vijver,
Met zijn gebogenen hengelroê,
Of is hij zulke spelen moê,
Hij spant zijn paarden in, voor ?t dagen,
En gaat met honden ?t knijn belagen;
Of rijdt bij klaren zonneschijn
Door wegen, die verstrengeld zijn
Als voormaals der Cretensen doolhof.
De man vermaakte zich dus best en was zelfs niet te beroerd om zijn handen
vuil te maken. Maar hierin leek hij niet op b.v. Louis XIV.
|